Archive for

Catholic Inspiration



May 26, 2016

Een ontregelende vraag

By Tilburg Cobbenhagen Center

Schermafbeelding 2016-05-25 om 09.16.54

- door Thijs Caspers

Wat gebeurt er als we de rust binnenlaten? Als we uit onze dagelijkse groef komen en onze smartphone en laptop eens voor een paar dagen in de la leggen? Het klinkt als een onbeduidend experiment. Toch zou het wel eens een groter effect kunnen hebben dan op voorhand gedacht. Waarschijnlijk zal het ook moeilijker zijn dan we denken. Gewend als we zijn aan prikkels en nieuwe informatie. De phone is nooit ver weg als we wachten op een trein, een bus, of een afspraak.

Dat de voortdurende verbondenheid met het internet ons van meer informatie voorziet dan dat we ooit durfden te dromen staat buiten kijf. Binnen een handomdraai is er een wereld van feiten beschikbaar. Zo worden we omringd door een ongekende stroom aan gegevens. Tegelijkertijd sluimert er bij mensen ook een aanzwellend verlangen naar rust en stilte. De zee aan informatie zorgt ervoor dat het moeilijker is om je hoofd boven water te houden. Waar is het overzicht in een steeds complexer wordend web van input? Wat zijn de juiste keuzes in een wereld zonder grenzen die suggereert dat alles mogelijk is? En wanneer is er ruimte om eens ontspannen adem te halen en niets te hoeven? Kloosters lijken vandaag de dag een nieuwe bestemming te hebben gevonden. Als oplaadpunten zijn zij een baken van rust in een wereld die continu in de hoogste versnelling staat. Als oasen zijn zij pleisterplaatsen voor de mens die smacht naar onthaasting.

Ja, wat gebeurt er als we de rust binnenlaten? Gaan we er anders van kijken? Vallen ons dingen op waar we voorheen overheen keken? Vele wijsheidstradities zullen dit volmondig beamen, dat mag geen verrassing heten. Onverwacht is echter de bijval uit medische hoek. In het bijzonder het hersenonderzoek. Waar onderzoek zich eerder vooral concentreerde op het doorgronden van verschillende deelgebieden van de hersenen, is er tegenwoordig een groeiende aandacht voor netwerken in ons brein. Een van deze netwerken in het ‘Default Mode Network’. Dit netwerk wordt actief wanneer mensen cognitief tot rust komen. Als we een stoepje vegen, een ommetje maken, of met de blik op oneindig uit het raam staren.

Cognitief tot rust komen lijkt veel belangrijker dan voorheen gedacht. Het ordent het geheugen: onze autobiografische ervaringen en indirect daarmee ook onze motorische herinnering. Tegelijkertijd lijkt het ‘Default Mode Network’ ook belangrijk te zijn voor onze creativiteit. De sluimerende activiteit tijdens momenten van rust, schept de ruimte voor de creatieve inval. Door de controle en de cognitieve activiteit los te laten kan het nieuwe en onverwachte tot ons doordringen. Door te balanceren tussen activiteit en passiviteit kan creativiteit tot bloei komen.

Maar wat betekent dit inzicht voor de academie? Welke plaats heeft een gezonde passiviteit binnen de universiteit? Het is een zachte maar uiterst ontregelende vraag. Heeft zij een plek, of verdwijnt de passiviteit onder de stortvloed aan targets, afspraken en prioriteiten die zich dagelijks aan ons opdringen? Durven we ruimte te scheppen voor een gezonde passiviteit? Durven we het aan ons op onverwachte wijze te laten veranderen? Zomaar wat gedachten die in me opkomen, turend uit het raam.


April 14, 2016

Een stille revolutie

By Tilburg Cobbenhagen Center

- door Thijs Caspers

Schermafbeelding 2016-04-13 om 16.56.08

Er dreigt een groot tekort aan opvangplekken voor vluchtelingen. Gemeenten zijn te langzaam volgens staatssecretaris Dijkhoff. Eind vorig jaar is met hen afgesproken dat er 42.500 nieuwe opvangplekken moeten worden gecreëerd om de stroom vluchtelingen te beteugelen. De beschikbare plekken laten echter op zich wachten. Het gebrek aan ‘bedden’ loopt daardoor vlug op: eind 2016 tot mogelijk 30.000. Door het gedraal van de gemeenten dreigt het vluchtelingenvraagstuk verder uit de klauwen te lopen, aldus de teneur van de staatssecretaris.

Dijkhoffs afstandelijke en bureaucratische omgang lijkt exemplarisch voor dit zich voortslepend hoofdpijndossier. Van dichtbij maak ik het zelf mee in Nijmegen. Met de ontmanteling van Heumensoord – het grootste noodopvangkamp van Nederland – worden in rap tempo alle vluchtelingen gekoppeld aan gemeenten over heel Nederland. Voor een eventuele persoonlijke voorkeur wat betreft plaatsing is geen enkele ruimte. Daardoor worden velen van hen voor een tweede maal losgerukt van mensen die ze de afgelopen tijd zijn gaan vertrouwen. Vriendschappen worden op de proef gesteld door een eindeloze verstrooiing. Winterswijk, Goes, Heerlen, Winschoten: alle uithoeken van Nederland worden benut om mensen te stallen. Het systeem is daarbij leidend, mensen dienen zich onverbiddelijk als blokjes te voegen in het vooropgezette plan.

Mijn vriendin en ik hebben sinds een aantal maanden intensief contact met een vluchteling. Langzaam is hij een huisvriend geworden. Hij komt langs om op adem te komen en om de spanningen van het kamp achter zich te laten. Hij kookt bij ons om thuis te proeven, iets wat beslist verboden is op het kamp. Het zijn dergelijke kleine dingen die hem weer mens doen voelen. Die hem het gevoel geven dat hij meer is dan het gekleurde bandje dat hij permanent om zijn pols moet dragen.

Onlangs hoorde hij van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) dat hij gekoppeld is aan een gemeente in Zuid-Holland. De schok was groot. De pogingen om hem in Nijmegen te laten blijven bleken tevergeefs. En – zo werd ons verstaanbaar gemaakt – de gemaakte koppeling is permanent, tenminste als de vluchteling niet al zijn rechten op voorzieningen wil verliezen. De verslagenheid nam verder toe toen duidelijk werd dat hij eerst naar Zuid Limburg wordt overgeplaatst wegens een gebrek aan opvangplekken in Zuid-Holland. Wat dit eindeloze gesleep voor mijn vriend betekent is geen enkele plaats. Dat is pijnlijk. Organisatie zou dienend moeten zijn aan het geluk en perspectief van mensen en niet resulteren in het tegenovergestelde.

Zorgwekkend, dat is de eindeloze Nederlandse bureaucratie. Maar voor wie goed luistert is er meer te horen. Tegelijkertijd lijkt er een stille revolutie gaande die zich langzaam verspreid als een niet te blussen bosbrand. Verschillende gemeenten bekommeren zich in toenemende mate om “hun” vluchtelingen. Zo krijgen vluchtelingen in Krimpen aan de IJssel een brief mee voor het COA met de uitdrukkelijke wens om hen in hun asielprocedure te koppelen aan Krimpen. Er is een goede band ontstaan tussen Krimpenaren en de “Krimpenaren-in-wording”: men eet samen, er is taalonderwijs, kinderen gaan naar school en verschillende vluchtelingen lopen zelfs stage. Het blijkt dat Krimpen geen uitzondering op de regel is. Óók in Amersfoort, Laren, Bussum en bijvoorbeeld Houten, wil men “hún” vluchtelingen terug.

Deze geluiden zijn hartverwarmend. Ze laten zien dat bureaucratische en technocratische geluiden niet het hele verhaal vertellen. Wie goed kijkt ziet dat er vele pioniers buiten de gebaande paden naar mogelijkheden zoeken om bij te dragen aan perspectief voor de vele vluchtelingen in ons land. Precies zij zijn de stuwende kracht achter de stille revolutie die laat zien dat we ook op een menselijke manier met elkaar om kunnen gaan. We zijn immers meer dan nummers en statistieken. Laten we daarom de aandacht verleggen en ons richten op de basis. Dáár wordt het vertrouwen in de toekomst geboren en de hoop op een land dat van ons allemaal is.


March 23, 2016

Hoe krijgen we een gezonde samenleving?

By Tilburg Cobbenhagen Center

- Door: Erik Borgman

Een gezonde samenleving is niet een samenleving van alleen maar gezonde mensen, want ziekte en handicap zijn facts of life. Een gezonde samenleving is niet een samenleving die dit inzicht zo veel mogelijk uitbant en ziekte uitsluitend probeert te bestrijden. Een gezonde samenleving is een samenleving die ziekte en gebrek zijn plaats geeft.

1.

We zouden van onze geschiedenis kunnen leren. Al decennia lang proberen we ‘echte’ vluchtelingen te onderscheiden van ‘economische’ vluchtelingen, of zoals we in deze weinig subtiele tijden zeggen: gelukszoekers. Alsof het een schande is om geluk te zoeken. Het effect van onze onderscheidingsdrang is dat alle vluchtelingen verdacht worden en worden gewantrouwd – ben je wel een echte en kun je dat ook bewijzen – en dat er heel veel energie gaat naar het achterhalen of een vluchteling wel ‘echt’ is. Wij moeten iets soortgelijks niet voor gezondheid introduceren en willen onderscheiden tussen ‘echte’ zieken en gehandicapten, die er niet aan kunnen doen, en zieken en gehandicapten waarvan het de eigen schuld is. Waarbij dan de eersten geholpen moeten worden en de tweeden maar voor zichzelf moeten zorgen.

Bovendien, waar houdt dit op? De roker lijkt misschien duidelijk, maar de roker die twintig jaar nadat hij of zij met roken gestopt is nog longkanker krijgt? De motorrijder die te hard reed en na het door hemzelf veroorzaakte ongeluk invalide is? Degene die in een dronken bui ruzie zocht en in elkaar geslagen werd? Degene die in zijn jeugd leerde dat zonlicht gezond was en die nu huidkanker heeft omdat hij teveel in de zon heeft gezeten?

2.

En dan zijn er nog de mensenrechten. In 2002 namen de Verenigde Naties een resolutie aan over het ‘recht op gezondheid en gezondheidszorg’, die stelt dat iedereen recht heeft op ‘het genieten van de hoogst haalbare standaard van lichamelijke en geestelijke gezondheid’. Volgens de nieuwe definitie die in samenwerking met de gezondheidsraad ontwikkeld is, is gezondheid niet de afwezigheid van enige vorm van ziekte – want dan zijn we allemaal ziek – ‘Gezondheid is’, zo luidt de definitie, ‘het vermogen van mensen zich aan te passen en een eigen regie te voeren, in het licht van fysieke, emotionele en sociale uitdagingen van het leven.’ Wie ernst maakt met deze definitie die zal mensen die niet in staat de regie over hun leven te voeren in het licht van fysieke uitdagingen van het leven niet straffen. Die zal hen proberen te helpen en te stimuleren om dit wel te doen.

Bij ‘regie voeren’ hoort ook – en dat is altijd het moeilijke – dat anderen ervan afzien de regie te voeren. De overheid, de zorgverzekeraars, of de common sense kunnen niet voor ons bepalen wat gezondheid is en mensen zorg onthouden als zij menen dat zij zich niet voldoende voor hun gezondheid inspannen.

3.

Elke chronisch zieke – en nogmaals, als we maar goed genoeg kijken zijn we dat allemaal – maakt keuzes waarbij de hoogste norm niet is het lichaam zoveel mogelijk te sparen, zodat het zo lang mogelijk mee gaat. Dat is niet alleen volkomen logisch, dat is volkomen terecht. Want het leven is meer dan het lichaam.

 

NOOT: In het kader van de Gezondheidsweek (Tilburg University, 21 tot en met 24 maart 2016) organiseerde het Academic Forum het symposium ‘Dikke Bult, Eigen Schuld: Hoe krijgen we een gezondere samenleving?‘ Bovenstaande tekst is de lezing die Prof. dr. Erik Borgman, directeur van het Tilburg Cobbenhagen Center, hield tijdens het symposium in de Black Box op 23 maart 2016.

 


March 8, 2016

Durf te verwonderen

By Tilburg Cobbenhagen Center

- door Thijs Caspers

Schermafbeelding 2016-03-08 om 14.51.35

Ongekende plaatsen leiden geregeld tot verrassende inzichten. Begrip dat aanzet tot het bewandelen van nieuwe paden. Wetenschap leeft van deze inzichten: ze laten ons anders kijken naar de wereld waarmee wij onlosmakelijk verbonden zijn. Wat de gevolgen en doorwerking zijn van nieuwe gedachten kunnen wetenschappers vaak niet bevroeden.  Worden ze verstaan door hun tijdgenoten, of weggehoond? De een valt herkenning en roem toe ten tijde van zijn leven. De ander stuit op onbegrip en raakt in de vergetelheid.

Op de Pruisische avonturier en alleskunner Alexander von Humboldt (1769-1859) – door Andrea Wulf onlangs treffend omschreven als ‘the lost hero of science’ – is het allemaal van toepassing. Al had hijzelf daar geen enkel besef van toen hij zich in 1802, hoog in het Andesgebergte, naarstig zette tot het in kaart brengen van de vele gedachten en verbanden waar op dat moment zijn hoofd van overliep. Met Aimé Bonpland, zijn metgezel en botanist, was Humboldt korte tijd daarvoor letterlijk tot grote hoogte gestegen in het huidige Ecuador. Hun voortdurende nieuwsgierigheid had hen op de vulkaan Chimborazo tot bijna 6000 meter gebracht. Geen mens had deze regionen nog verkend, laat staan minutieus bestudeerd. Gegeseld door een ijzige wind en hoogteziekte, hadden de mannen nauwkeurig de vegetatie in kaart gebracht, evenals de temperatuur, luchtdruk en het kookpunt van water op verschillende hoogtes.

De observaties van Humboldt leidden uiteindelijk tot een nauwkeurige schets van de Chimborazo waarmee hij visueel inzichtelijk maakte hoe de door hem verzamelde gegevens zich tot elkaar verhielden.  Deze tekening van de natuur – Humboldts Naturgemälde – belandde in zijn boek Essay on the Geography of Plants (1807), het eerste deel van een vierendertigdelige reeks die hij uiteindelijk zou schrijven over zijn bezoek aan Latijns Amerika. Humboldts schets klinkt vandaag de dag misschien weinig revolutionair in de oren. Wat hij deed was echter ongekend. In zijn tijd werden bevindingen doorgaans geclassificeerd aan de hand van taxonomische categorieën: er werd gekeken naar de bouw van planten en hun overeenkomstige eigenschappen. Humboldts visuele benadering maakte het echter mogelijk om de relatie en het samenspel tussen vegetatie en hun klimatologische context op ongekende wijze inzichtelijk te maken.  Middels zijn nieuwe werkwijze bracht hij de natuur in beeld als een kwetsbaar weefsel van voortdurende interactie. Door zijn ontdekkingen in de Andes daarnaast te vergelijken met eerdere observaties in de Alpen en de Pyreneeën beschreef hij als eerste het idee van klimaatzones en legde hij de bouwstenen voor hoe wij vandaag de dag ecosystemen verstaan. Ongekende plaatsen brachten Humboldt tot ongekende inzichten en werkwijzen.

Al op jonge leeftijd mocht Humboldt rekenen op waardering. De grote Johann Wolfgang von Goethe – twintig jaar ouder – sprak onomwonden zijn bewondering uit voor hem. Hun ontmoetingen in Jena stimuleerden Goethe’s creativiteit op ongekende wijze. Humboldts stroom van ideeën en inzichten bracht de reeds gelauwerde Goethe in vervoering. Goethe vertrouwde Friedrich von Schiller toe dat Humboldt hem uit zijn wetenschappelijke winterslaap had gehaald. En toen Goethe reeds de tachtig gepasseerd was en zijn inspirerende vriend miste, zei hij dat een dag met Humboldt hem verder bracht dan jaren lang voortmodderen op zijn eigen geïsoleerde pad.

Toen Charles Darwin vanaf zijn beroemde schip de Beagle over de verten van Patagonië uitkeek deed hij dat naar eigen zeggen door de ogen van de Schotse geoloog Charles Lyell. Darwin zou later aan een vriend schrijven dat hij het gevoel had dat zijn boeken voor de helft ontsproten uit het brein van Lyell. Het baanbrekende driedelige werk The Principles of Geology  (1830-33) waren doorslaggevend voor zijn eigen manier van kijken. Op zijn beurt was Lyell bescheiden over zijn werk dat naar eigen zeggen slechts de geologische toepassing was van Humboldts ideeën over natuur en klimaat.

Vandaag de dag zijn de bijdragen van Huboldt zo vanzelfsprekend dat we de man zelf ironisch genoeg bijna zijn vergeten. Van grootheid in zijn tijd, klinkt hij nu nog slechts door in de namen van planten, geografische plaatsen, een pinguïn en een golfstroom. Of hij dat een probleem zou hebben gevonden is maar de vraag. Al tijdens zijn leven deelde hij naar hartenlust zijn bevindingen, gegevens en ideeën met anderen. Hij publiceerde zich arm en van het weinige geld dat hij overhield stimuleerde hij jong talent. Hij deed er van alles aan op de reikwijdte zijn ideeën omwille van het gezamenlijke inzicht breed te verspreiden.

Veel interessanter is het om Humboldts eindeloze verwondering vast te houden: om ongekende plaatsen op te zoeken en om van daaruit de wereld steeds weer opnieuw te ontdekken en tegemoet te treden. Precies met deze houding bewijst hij de wetenschap een grote dienst: durf je te verwonderen, disciplines te overschrijden en langs de grenzen van je eigen gelijk te lopen. Zo bezien heeft Humboldt nog niets van zijn relevantie verloren voor de academie van vandaag.


January 25, 2016

Gevaarlijke paden

By Tilburg Cobbenhagen Center

- door Thijs Caspers

ColumnTCTCC

Onlangs stuitte ik op een vluchtig geschreven zin die, eenmaal mijn hoofd ingeslopen, geen aanstalten meer maakte om te vertrekken. Keer op keer kwamen dezelfde woorden bovendrijven: “We buy things we don’t need, with money we don’t have to impress people we don’t like.” Wat me raakte was de humor en de absurditeit. Deze ene zin geeft in een notendop het ridicule weer van een samenleving die drijft op consumentisme. Waarin mensen dingen kopen op de pof, om de ander figuurlijk de ogen uit te steken. Waarbij afgunst en het aftroeven van de ander centraal lijken te staan.

 Het had – afgezien van het scherpe negatieve randje aan ’t eind – zo uit de mond van paus Franciscus kunnen rollen. Franciscus steekt zijn mening over de economisering van de samenleving, de uitputting van de aarde, of het op hol geslagen consumentisme immers niet onder stoelen of banken. Het past vloeiend in zijn pleidooi voor een ‘economie van het genoeg’ en de oproep tot een soberder levensstijl, zoals verwoord in zijn milieu-encycliek Laudato si.

Nieuwsgierig naar de herkomst van het citaat, stuitte ik op een verrassing. De woorden zijn niet opgetekend uit de mond van een paus, cultuurkritische wetenschapper of geëngageerde activist, maar komen uit een film: Fight Club. Verder weg van wat ik dacht te vinden had de bron niet kunnen liggen. Deze film noir springt over de rand in het nihilisme en probeert zinvolheid terug te vinden door de verheerlijking van geweld: in de kelder van een pub vormen mannen een geheim genootschap om elkaar te bevechten voor hun plezier. Duister, rauw, gewelddadig en tegelijkertijd profetisch. Deze bijna twintig jaar oude film met Edward Norton en Brad Pitt raakt door de duisternis heen onze tijdsgeest aan. Fight Club werpt licht op de schaduwzijde van een door neoliberalisme doordrenkte samenleving. Met zijn kritiek op de consumptiemaatschappij was de film destijds zijn tijd ver vooruit. Sporen van waarheid vinden waar je het niet verwacht, óók temidden van het geweld en de uitzichtloosheid. Het vergt inspanning: goed kijken, je laten verrassen en ongebruikelijke paden bewandelen.

In zijn boek The Old Ways beschrijft Robert Macfarlane de Broomway. Deze “weg”, gelegen voor de kust van Essex, staat bekend als een van de dodelijkste paden van Engeland. Vooral omdat niets is wat het lijkt: bij eb verschijnen de contouren van een pad dat een kleine tien kilometer over de Maplin Sands loopt. Het zand is stevig genoeg om de nieuwsgierige wandelaar te dragen. Maar als de vloed weer opkomt en de zee terrein wint verandert het pad op veel plaatsen in drijfzand. Ongelukkig degene die verdwaalt of domweg niet op de tijd heeft gelet. Tegelijkertijd is het een plaats die ons met andere ogen doet kijken. Het vertrouwde wordt binnenstebuiten gedraaid. Macfarlane spreekt over de verstoring van zijn waarneming en een verlies aan oriëntatie wanneer hij de Broomway bewandelt. Maar juist daardoor kan de omgeving en zijn plaats daarbinnen op een geheel nieuwe wijze tot hem komen.

Zomaar twee sporen die ik onlangs betrad. Zou het niet mooi zijn wanneer we ietsje vaker de Broomway durven te bewandelen? In het dagelijks leven? In de wetenschap? Het brengt ons op plekken die doorgaans verborgen blijven. Die gevaarlijk zijn en geen garantie bieden op een veilige afloop. Maar in het ongewone, in de duisternis, zijn verrassende inzichten te vinden die ons met andere ogen doen laten kijken. Speurend buiten de gebaande denkpistes vinden we wat ons vooruit trekt. Óók tussen de rommel en het geweld.


December 10, 2015

Vertrouwen in de Toekomst

By Tilburg Cobbenhagen Center

- door Thijs Caspers

refugee-1004358_960_720

We zijn “gelukkig, maar onzeker”, kopte de NRC afgelopen zaterdag. Het typeert treffend de staat van ons land. Al voelen de meeste van de 382 geïnterviewden zich gelukkig, de zorgen zijn groot over de toekomst. Hoe zit het met onze gezondheidszorg? Blijft die betaalbaar? En hoe zit het met de kosten van Europese solidariteit? Laat staan de solidariteit met mensen van buiten het Europees continent? Het blijft intrigerend. Hoe kan het toch dat de meeste Nederlanders tevreden zijn met hun leven, maar de toekomst weinig rooskleurig inzien?

Als we de hoofdpijndossiers van de gemiddelde Nederlander onder de loep nemen, dan valt bovenal de abstractie van de kopzorgen op. Of het nu gaat over ‘zorg’, ‘migratie’, ‘ongelijkheid’ of ‘veiligheid’, het zijn complexe containerbegrippen die de gemiddelde Nederlander al snel de pet te boven gaan. De gelaagde en anonieme wijze waarop wij onze samenleving hebben georganiseerd, zorgt voor een gevoel van afstand. Een verlies aan zeggenschap. De menselijke maat is al een tijdje zoek.

Hoe zorgen we er met elkaar voor dat we de juiste maat weer terug vinden? Hoe doorbreken we de machteloosheid die bij de vele onoverzichtelijke problemen al snel de kop opsteekt? Het begin van een antwoord kwam ik afgelopen weekend op het spoor. In de Stevenskerk te Nijmegen was een grote bijeenkomst georganiseerd voor de vele vluchtelingen uit Heumensoord en Nijmegenaren die zich betrokken weten bij hun wel en wee. Met eten en muziek werden zij samengebracht.

Wat mij het meeste raakte was niet zozeer de bijeenkomst zelf, maar wat er voor- en achteraf gebeurde. Aan Nijmegenaren was gevraagd om als “taxi” te fungeren tussen de vluchtelingenopvang Heumensoord en de Stevenskerk. Wat je moet verwachten als je op de bonnefooi onbekenden meeneemt is altijd spannend. Mijn vriendin Barbara en ik ontmoetten tussen de meute mensen voor het kamp twee volwassen mannen en een kind. Eenmaal rijdend naar de stad kwamen we al snel in gesprek met elkaar. Beide mannen kwamen uit Syrië en waren nu zo’n drie maanden in Nederland. Amir – een leraar Arabisch – afkomstig uit het westen van Syrië, was hier aangekomen met zijn zoontje Ghassan, zo vertelde hij ons in ’t Engels. De andere man, Basim – een apotheker uit het noorden van het land – vertelde ons over zijn studie. Hij drukte zich uit in Nederlandse woordjes die hij allerijverigst aan het leren was. En zo voerden we al zoekend naar woorden een betrokken gesprek.

Gedurende de middag werd het abstracte vraagstuk rondom de vele vluchtelingen die naar Europa trekken voor mij steeds concreter. Het kreeg een gezicht in de vorm van Amir, Ghassan en Basim. Het was niet langer ver weg of anoniem, maar concreet en dichtbij. Alsof een afstandelijk en technisch probleem je onder de huid kruipt, en je je door de ontmoeting realiseert dat het bewoond wordt door mensen die eigenlijk niet heel veel verschillen van jezelf. Ik had Amir kunnen zijn en hij mij.

Eenmaal terugrijdend naar Heumensoord hoorden we dat deze mannen hele gezinnen hebben. Waar zij zijn – en óf ze er nog zijn – lieten we onbesproken. Althans voor nu. Volgende week komen ze bij ons eten. Of beter gezegd: schuiven wij aan. Ze willen heel graag Syrisch voor ons koken en de pracht van de Syrische keuken aan ons laten zien.

Dergelijke ontmoetingen zijn volgens mij het begin van een antwoord. Niet omdat ze plotsklaps alles oplossen, maar omdat ze laten zien dat vraagstukken niet altijd problemen zijn. Als je goed kijkt dan zie je dat de vragen worden bewoond door mensen die de gaven bij zich dragen. Wij zagen drie mensen vol belofte en rijkdom. Het geeft me vertrouwen in de toekomst.

Noot: Afbeelding met dank aan fsHH via Pixabay.


October 22, 2015

Zien wat aanwezig is

By Tilburg Cobbenhagen Center

- Door Thijs Caspers

SplitShire-096
Afbeelding met dank aan Daniel Nanescu via Splitshire

“Het gaat er vooral om onze meerwaarde te laten zien, dat wij er als katholieke organisatie nog toe doen.” Haast ongemerkt komt deze opmerking voorbij in een groepsgesprek waar mijn collega Erik en ik onderdeel van zijn. “Doen we er nog toe?”: het is de meest geuite vraag in een confessioneel veld dat volop in transitie is.

De vraag ligt voor de hand als we kijken naar de gigantische verschuivingen die zich de afgelopen decennia voltrokken hebben. Tot aan het einde van de jaren vijftig bedienden confessionele organisaties in Nederland hun eigen zuil. Al met al was het behoorlijk overzichtelijk: katholieke en protestantse organisaties werden gefinancierd vanuit de zuil ten behoeve van de zuil. Er bestond geen twijfel over waar de gespaarde dubbeltjes en kwartjes terecht kwamen. Met de opkomst van de verzorgingsstaat veranderde dit drastisch. De staat nam de taak van de confessionele zuilen over en dicteerde voortaan de koers. De gevolgen waren ingrijpend. Steeds meer zongen organisaties zich los van hun eigen wortels. In plaats van het eigen verhaal werd voortaan de taal van de overheid gesproken. Nu de verzorgingsstaat in de huidige tijd onder toenemende druk staat, zorgt dit voor groeiende verlegenheid. Het ‘waarom’ en ‘waartoe’ van de eigen organisatie ligt vaak verscholen onder een dikke laag stof.

Het is erg verleidelijk de vraag naar eigentijdse relevantie in te vullen met een beroep op professionaliteit. Dat klinkt dan ongeveer zo: Jazeker, we doen er toe en tellen mee, want we zijn bij uitstek een professionele organisatie.” Laat er geen misverstand over bestaan: dit kan ontegenzeggelijk het geval zijn. Probleem is echter dat een beroep op professionaliteit ook een manier kan zijn om de confessionele verlegenheid te maskeren. Het grootste gevaar is dat de organisatie zelf doel op zich wordt en de sociale vraag waaruit de organisatie oorspronkelijk werd geboren naar de achtergrond verdwijnt. Op dat moment verliest een organisatie iets wezenlijks: haar bestaansgrond.

Gelukkig is er een groeiende groep organisaties die zich beseft dat zij weer op zoek moeten naar taal. Woorden die de ervaringen van medewerkers verbinden met de ‘bronnen’ van christelijke traditie waaruit organisaties drinken. Dat betekent weer met elkaar op verhaal komen, woorden (terug)vinden en bovenal oefening: want een aantrekkelijk en inspirerend verhaal vertel je niet zomaar. Dat vereist vertrouwen, een gezond vocabulaire en aanstekelijkheid.

Belangrijk is het ook om alle bureaucratische ballast waar veel organisaties mee kampen te relativeren. Terug naar ons groepsgesprek. In de conversatie vielen ogenschijnlijk belangrijke termen als ‘projectmatig werken’, ‘meerwaarde creëren’ en ‘unique selling points’ over elkaar heen, maar het belangrijkste werd over het hoofd gezien: dat de organisatie in kwestie in de haarvaten van de samenleving zit en op ongekende wijze verbonden is met mensen. Precies middels die verbondenheid heeft zij goud in handen. Het lag zo voor de hand, dat ze er straal overheen keken. Zien wat aanwezig is: er valt een wereld mee te winnen.


July 3, 2015

Begin

By Tilburg Cobbenhagen Center

-- Door Erik Borgman

‘In oprichting’ heeft een tijd lang achter de naam van het Tilburg Cobbenhagen Center gestaan, bescheiden afgekort als ‘i.o.’. Dat kan er nu vanaf. Met de goedkeuring van de Universiteitsraad is het besluit om het Tilburg Cobbenhagen Center ook echt op te richten, formeel nog niet genomen. Het College van Bestuur heeft echter gezegd dan ook inderdaad tot oprichting over te gaan. Daarom kon er over de oprichting een persbericht uit.

Wanneer begint iets te bestaan? Misschien is het Amerikaanse antwoord ‘when you were just a twinkle in your fathers eye’ nog niet zo gek, als we daar tenminste ook de eerste tekenen van een begin van begeerte bij de moeder aan toevoegen. Iets begint te bestaan als het verlangen naar de handeling die het in het bestaan roept, langzamerhand vorm begint te krijgen. En wanneer bestaat het helemaal? Als het niet langer vorm krijgt, zich begint aan te dienen. Dit betekent dat het heel moeilijk is een tijd aan te wijzen waarop iets er helemaal nog niet was en dat het bijna onmogelijk is het moment aan te wijzen waarop iets er helemaal zal zijn. Alles is altijd al en altijd nog bezig te ontstaan.

Zo kijken we in het Tilburg Cobbenhagen Center in ieder geval naar samenleven. Er is altijd al samenleving. Mensen worden erin geboren, ontdekken het leven in de cultuur ervan en leren spreken en denken in haar taal. Nooit zijn wij de geïsoleerde individuen die sommige mensbeelden van ons proberen te maken. Zelfs eenzaamheid zou verborgen blijven zonder de wil haar aan anderen mede te delen en zonder de wil van een ander haar te leren kennen. Dat wil zeggen zonder het bestaan van en de gerichtheid op de gemeenschap, waarvan zij op het eerste gezicht het ontbreken aan het licht lijkt te brengen. Mensen hopen omdat hetgeen waarop zij hopen zijn aanwezigheid manifesteert en dat wat mensen hopen manifesteert zijn aanwezigheid zo in wat zij doen. Gemeenschap wordt zichtbaar als verlangen naar gemeenschap.

Understanding Society, het motto van Tilburg University, betekent uiteindelijk dit begrijpen. Het betekent begrijpen dat de samenleving bestaat door te ontstaan, zichzelf vorm te geven in respons op wat gebeurt en zich aandient. Bijvoorbeeld doordat mensen zien dat er wonden geslagen worden die moeten gedicht – en daarmee beginnen. Constateren dat er een wereldwijde cultuur van onverschilligheid dreigt te ontstaan, zoals paus Franciscus vlak na zijn aantreden op Lampedusa deed toen er een tot op dat moment ongekend aantal vluchtelingen in de Middellandse Zee verdronken waren, is een act van vertrouwen op de niet-onverschilligheid.

Als Tilburg Cobbenhagen Center zoeken wij naar die niet-onverschilligheid. Die willen we zien voor wat zij is: als teken dat we leven in een samenleving in staat van ontstaan en deel uitmaken van een universiteit die bezig is geboren te worden. ‘Wat we zullen zijn is nog niet geopenbaard’, zegt de eerste brief van de apostel Johannes (1 Johannes 3,2). Dat is geen dreigement – zoiets als: je denkt dat je heel wat bereikt hebt, maar dat kon nog wel eens tegenvallen – maar een belofte. Er zullen letterlijk ongekende mogelijkheden blijken te zijn. Understanding Society is uiteindelijk een poging deze belofte op te sporen. En er zo aan bij te dragen haar te vervullen.

Erik Borgman

noot: Het officiële persbericht van Tilburg University over de oprichting van het Tilburg Cobbenhagen Center kunt u hier vinden.


June 18, 2015

Geloof

By Tilburg Cobbenhagen Center

- Door Erik Borgman

Op hun uitnodiging sprak ik met een groepje geestelijk verzorgers van een ziekenhuis. Of liever, van twee ziekenhuizen, maar er stond een fusie op stapel en dan zou er maar één ziekenhuis overblijven. Voor de geestelijk verzorgers was dat geen probleem. Zij werkten al zo’n tien jaar samen.

Maar ze waren niet helemaal gerust op de toekomst. Ze hadden tijdens een vorige bezuinigingsronde al eens formatie moeten inleveren, wie weet wat ze boven het hoofd hing. Immers, medische zorg werd steeds meer opgevat als het aanbieden van een hooggekwalificeerd product aan mondige, goed geïnformeerde klanten. Maar het werk van de geestelijke verzorging laat zich daar moeilijk in inpassen. Je kunt moeilijk een vrolijke brochure maken met de tekst: ‘hebt u het gevoel hebt dat er wel aan uw lichaam gesleuteld wordt, maar uw ziel verkommert, dan zijn wij er voor u.

In de zorg als topproduct zijn de mensen – artsen, verpleegkundigen en patiënten – nooit aan het einde van hun Latijn. Dat past niet in het beeld. Geestelijk verzorgers weten dat mensen soms wel degelijk aan het eind van hun Latijn zijn. Hoe goed je de zorg ook probeert te maken, patiënten lijden geregeld ondragelijk pijn, dokters maken af en toe fouten en verpleegkundigen hebben soms teveel aan hun hoofd om het belang van de patiënt consequent voor ogen te houden. De geestelijk verzorgers kennen de verhalen. Ze maken de patiënten, de artsen verpleegkundigen duidelijk dat deze verhalen, en degenen die ze meemaken, van belang zijn.

Hun vraag was: Hoe maken we duidelijk wat hiervan de betekenis is? Ter voorbereiding van hun gesprek stuurden zij mij materiaal toe waarin duidelijk werd gemaakt hoe de geestelijke verzorging een bijdrage kon leveren aan de kwaliteitsimpuls die het management hun ziekenhuizen bij gelegenheid van de fusie wilde geven. Altijd goede zorg, state of the art behandeling, de patiënt centraal. Bij doorvragen bleek dat zij zelf niet geloofden dat het mogelijk was zorg altijd menselijk maken, geneeskunde altijd succesvol te doen zijn en patiënten altijd tevreden te stellen, zoals het ziekenhuis wilde. Zij doorzagen dat zorg geven en zorg ontvangen modderen blijft. Zij geloofden in het belang van dat modderen.

Dat is het belang van hun werk, concludeerden wij samen naar afloop. Het is van fundamentele betekenis dat mensen voor elkaar zorg dragen. Zonder dat verkommeren mensen, ook al zijn de behandeltechnieken nog zo optimaal. Het zijn de vaardigheden die status hebben. Een goede chirurg wordt hoog aangeslagen en het klinkt goed als je kunt zeggen dat je geholpen bent door de beste chirurg op zijn vakgebied. Daarom wil het ziekenhuis graag in beeld komen als de plaats waar de beste chirurgen werken. Maar dat het ook een plaats is waar mensen bang zijn, niet zelden terecht omdat het maar de vraag is of het nog goed komt, daar vestigt men de aandacht liever niet op.

Toch is dat zo. En dan is het van groot belang dat je angst gezien wordt, iemand een arm om je heen slaat, er begrip voor heeft dat je angst je minder aanspreekbaar maakt en minder vriendelijk. Zonder dat dit in mindering komt voor het begrip voor de verpleging, die er gek van wordt dat jij bij het minste of geringste belt en altijd snauwt dat je al veel te lang ligt te wachten. Iemand die middenin een woordenwisseling naar boven weet te halen dat beide partijen erom schreeuwen gezien te worden. Zie mijn ontreddering! Zie mijn betrokkenheid!

Iemand, kortom, die gelooft in de zorg als een fundamenteel aspect van het menselijk bestaan. Het is niet altijd mooi, het is niet altijd leuk, het verloopt niet altijd glad. Maar het is waarvan wij leven: dat we zorgen en dat er voor ons gezorgd wordt.


May 28, 2015

Liefde

By Tilburg Cobbenhagen Center

- Door Erik Borgman

Ik denk wel eens dat een schrijver iemand is die claustrofobie krijgt binnen de woorden van anderen’, zei de Israëlische schrijver David Grossman in zijn 5 mei-lezing  te Vlissingen. Hij legde uit hoe nadenken in termen die je zelf ontwikkelt vrij maakt, zelfs al denk je over je gevangenschap. De literatuur moet daarom aan het vrije, zelf te vinden woord gewijd zijn, want dat bevrijdt. De wetenschap gaat nog een stap verder en belijdt dat de waarheid ons zal vrijmaken. Als we willen weten wat we moeten doen en wat we kunnen zijn, dan moeten we niet proberen de wereld onze wil op te leggen. Dan moeten we de wereld onderzoeken. De universiteit is de plaats waar we proberen deze overtuiging een thuis te bieden.

Borstbeeld Martinus Cobbenhagen II

Ik ben ervan overtuigd dat we weer zo over de universiteit moeten spreken dat duidelijk is dat we ervan houden. We hoeven niet te houden van haar campus of haar gebouwen, van haar vormen en rituelen, of van haar bureaucratie. We hoeven ook niet van alle  mensen die er werken te houden. Natuurlijk mogen we  blij zijn met onze omgeving, trots zijn op onze onderzoekers, liefde voelen voor onze studenten. Maar  wij zouden er weer echt van overtuigd moeten zijn dat  er een plaats nodig is waar gekeken wordt naar en  nagedacht wordt over wat het geval is, wat er aan de  hand is en wat dat betekent. En dat de universiteit zich, dat onze universiteit zich, dat wij ons moeten inspannen om deze plaats te zijn, omdat deze inspanning het waarachtige bestaansrecht uitmaakt van de universiteit. Wij zouden opnieuw van deze inspanning moeten houden.

De universiteit is altijd van alles geweest. Zij is een plaats waar mensen worden opgeleid voor hogere functies. Zij biedt ruimte dingen te bedenken waarmee geld kan worden verdiend of geld kan worden bespaard. Zij geeft degenen die er werken status en een hoge mate van vrijheid hun eigen weg te volgen. Je kunt om al deze redenen van de universiteit houden, je kunt er om al deze redenen in investeren, je kunt er om al deze redenen heil van verwachten. Maar dat alles behoort afhankelijk te zijn en te blijven van het willen weten, en van het verlangen om dat wat zich aan ons weten ontsnapt serieus te nemen. Herman van Veen zong tijdens het bevrijdingsconcert op de Amstel: ‘Ook wat er niet toe doet, dat doet ertoe’. Maar het gaat erom dat soms juist wat er niet toe doet, ertoe doet. Juist wat we niet zien of serieus nemen, moeten we zien of serieus nemen om onze wereld te begrijpen en onze plaats erin te vinden. Een plaats die ons geen claustrofobisch gevoel geeft maar die een gevoel van vrijheid wekt.

Dit is de visie van waaruit het Cobbenhagen Center zich in de komende tijd zal bezig houden met de identiteit van de universiteit, van onze universiteit. Hiermee is het op creatieve wijze trouw aan Martinus Cobbenhagen, de founding father van wat nu Tilburg University is. Met Cobbenhagen is het ervan overtuigd dat de universiteit zo het best de samenleving dient. Dat zal nog worden uitgelegd. Blijf deze blog volgen.

Erik Borgman

Cobbenhagen-Team-TiU-1024x609

Tilburg Cobbenhagen Center

Het Tilburg Cobbenhagen Center stimuleert het gesprek over onderwerpen waarin de identiteit en missie van Tilburg University – 'Understanding Society' – tot uitdrukking komen en onderzoekt de betekenis daarvan in de hedendaagse academische context en samenleving.

Hiertoe brengen we in 'Communities of Practice' praktijkbeoefenaars, bestuurders en wetenschappers samen, zoeken we aansluiting bij waardendebatten die in de samenleving spelen en formuleren we onderzoeksvragen die van maatschappelijke meerwaarde zijn.

Op dit weblog lees je vanaf 26 september 2016 - de dag dat onze geheel vernieuwde website wordt gelanceerd - wat medewerkers van het Tilburg Cobbenhagen Center en onze interne en externe samenwerkingspartners zoal bezig houdt!

www.tilburguniversity.edu/
cobbenhagencenter

Communities of Practice